Voorbeeldrapportage
Eén volledig uitgewerkt voorbeeld: het profiel van één deelnemer, het beeld over een groep, de notities van de begeleider, en het meetkader waarop is beoordeeld.
Illustratief en geanonimiseerd
Deel 1 · Per deelnemer
Bij de start legt de begeleider per gedraging vast hoeveel sturing er nog nodig is. Later in het traject gebeurt dat opnieuw, met dezelfde beschrijvingen. Wij tellen de zes niet op tot één cijfer: dat zou juist verbergen waar het níet beweegt.
“Begint niet zonder dat iemand ernaast gaat zitten. Levert in zonder te controleren. Vraagt bij vrijwel elke stap of het goed is.”
Notitie van de begeleider“Nieuwe planningsmethode ingevoerd. Zet de week sindsdien zelf op en meldt toetsen ruim vooruit; daar hoeven wij niet meer achteraan.”
Notitie van de begeleider“Om hulp vragen blijft achter: nog steeds vaak een bevestigingsvraag in plaats van gericht om uitleg. Daar leggen we de komende periode de nadruk op.”
Notitie van de coördinatorDeel 2 · Over een groep
Over een groep laat zich per gedraging zien hoe de verdeling verschuift tussen de nulmeting en de tussenmeting. Gedragingen waarop weinig beweegt, rapporteren wij even zichtbaar als de rest.
Deel 3 · Het meetkader
Elke gedraging kent vier niveaus, en elk niveau heeft een concrete gedragsbeschrijving. Daar wordt op getraind, zodat twee begeleiders bij dezelfde leerling tot hetzelfde oordeel komen. Hieronder staan ze voluit, zodat u kunt nalezen waarop is beoordeeld.
Gebeurt het gewenste gedrag pas als de begeleider stuurt, corrigeert of overneemt?
Kan de leerling het, maar pas na een aanwijzing, reminder of bevestiging?
Zet de leerling het gedrag uit zichzelf in, met hooguit incidentele steun?
Reguleert de leerling zelf én past aanpak, hulp of plan doelgericht aan?
Begint alleen met de begeleider ernaast, of is schijn-bezig (telefoon, “huiswerk op de laptop” blijkt video’s kijken).
Begint na een reminder of zetje; wacht of stelt eerst een bevestigingsvraag (“moet ik hier beginnen?”).
Begint zelf aan routinetaken; hapert nog bij nieuwe of lastige taken (staart, rommelt met materiaal, stelt uit).
Begint zelf, thuis vaak al begonnen, ongeacht de moeilijkheidsgraad; negeert afleiding actief.
Eerste moeilijke som betekent stoppen of overslaan; het schrift eronder is leeg; “ik snap het niet” is het eindpunt.
Probeert pas na aansporing, of blijft vastzitten in dezelfde verkeerde aanpak zonder te wisselen.
Probeert zelf — zichtbaar uitgeschreven werk telt als geprobeerd — en markeert waar het vastloopt.
Probeert zelf, herkent wanneer een aanpak niet werkt, en wisselt van strategie.
Vraagt bij elke stap bevestiging (“is dit goed? en dit?”); of al het contact loopt via de ouder; of vraagt puur om het antwoord.
Vraagt hulp, maar te vroeg (bij de eerste weerstand, zonder zelf te proberen) of te breed (“ik snap er niks van”).
Vraagt gericht en op het juiste moment (“ik loop vast bij stap 3, de rest snap ik”).
Vraagt gericht én hergebruikt de uitleg bij een volgend, vergelijkbaar probleem; de vraag verschuift van bevestiging naar sparren.
Geen overzicht; komt te laat achter toetsen; de begeleider of de ouder plant.
Plant mee onder begeleiding; neemt nog geen eigen regie.
Plant zelf; meldt toetsen minimaal twee weken vooruit.
Plant zelf én spreidt bewust in plaats van last-minute; anticipeert op drukke weken.
Levert in zonder te checken; weet bij een fout niet waarom; nakijken ligt volledig bij de begeleider.
Kijkt na als het gevraagd wordt; vindt eigen fouten nog niet zelf.
Kijkt eigen werk na en vindt eigen fouten.
Kijkt na, vindt én verklaart eigen fouten, en corrigeert zichzelf.
Maakt fundamentele fouten; stress door ontbrekende voorbereiding; het cijfer voelt als een oordeel.
Maakt fouten maar kan ze niet zelf categoriseren; de voorbereiding komt laat op gang.
Herkent eigen fouten; begint onderscheid te maken tussen een begripsfout en een slordigheid.
Diagnosticeert de eigen fout, categoriseert die als fundamenteel of als slordigheid, en werkt oefentoetsen zelfstandig na.
Kennismaking
In een kennismaking lopen we dit voorbeeld door en bespreken we welke deelnemers u voor ogen heeft. Daarna weet u of het past bij wat u moet verantwoorden.